AOV vs WIA
Twee werelden, één risico
Werknemers hebben een wettelijk vangnet, zelfstandigen niet. Dit artikel legt uit waarin de WIA en een private AOV van elkaar verschillen — en waarom dat verschil groter is dan de meeste ondernemers denken.
Wat is het kernverschil tussen een AOV en de WIA?
Het verschil laat zich in één zin samenvatten: de WIA is een wet, een AOV is een contract. Die ene zin heeft grote gevolgen. Een wet geldt automatisch voor iedereen die eronder valt, kent voorwaarden die de wetgever bepaalt en verandert alleen als de politiek dat besluit. Een contract sluit je zelf, met voorwaarden waar je invloed op hebt, tegen een premie die je zelf betaalt.
Voor een werknemer betekent dat: je hoeft niets te regelen, maar je kunt ook niets aanpassen. Twee jaar loondoorbetaling door je werkgever, daarna een beoordeling door het UWV op basis van criteria die vaststaan. Voor een zelfstandige geldt het omgekeerde: er is geen automatisch vangnet, maar wél de vrijheid om precies te bepalen wanneer een uitkering start, hoe hoog die is, tot welke leeftijd hij doorloopt en hoe streng er naar je arbeidsongeschiktheid wordt gekeken.
Die vrijheid is een voordeel en een valkuil tegelijk. Een goed ingerichte AOV biedt een zelfstandige aantoonbaar méér bescherming dan de WIA een werknemer biedt. Een slecht ingerichte AOV — met een te lange wachttijd, een te laag verzekerd bedrag of een te streng criterium — geeft een vals gevoel van zekerheid dat pas bij een claim uiteenvalt. De rest van dit artikel gaat over waar die verschillen precies zitten.
Wat is de WIA precies?
De WIA staat voor Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en verving in 2006 de oude WAO. De naam verraadt de filosofie: niet wat je níét meer kunt staat centraal, maar wat je nog wél kunt. De wet is er om werknemers die door ziekte of een ongeval structureel minder kunnen verdienen gedeeltelijk te compenseren, met de nadruk op re-integratie.
Voordat de WIA in beeld komt, gaan er twee jaar overheen. In die periode betaalt de werkgever het loon door — wettelijk minimaal 70%, in veel cao's hoger — en werken werkgever en werknemer samen aan herstel en werkhervatting volgens de Wet verbetering poortwachter. Pas na 104 weken beoordeelt het UWV of er recht op een WIA-uitkering bestaat.
Die beoordeling draait om één getal: het arbeidsongeschiktheidspercentage. Een verzekeringsarts stelt vast welke beperkingen je hebt, waarna een arbeidsdeskundige bepaalt welke functies je met die beperkingen nog theoretisch zou kunnen vervullen. Het verschil tussen wat je vroeger verdiende en wat je met die functies zou kunnen verdienen, is je verlies aan verdiencapaciteit. Ligt dat verlies onder de 35%, dan volgt geen uitkering.
Belangrijk: als zelfstandige val je hier volledig buiten
Je betaalt als ondernemer geen premies werknemersverzekeringen en bouwt dus geen WIA-rechten op. Ook niet gedeeltelijk, en ook niet op basis van je eerdere loondienstjaren. Zodra je uitschrijft als werknemer en volledig voor eigen rekening werkt, is het vangnet weg — de enige uitzondering is de vrijwillige UWV-verzekering, die je binnen dertien weken na het einde van je dienstverband moet aanvragen.
WGA en IVA: de WIA bestaat uit twee regelingen
Wie recht heeft op een WIA-uitkering, komt in een van twee regelingen terecht. Het onderscheid is belangrijk, omdat de uitkeringshoogte en de verplichtingen sterk verschillen.
WGA
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Van toepassing bij 35% tot 80% arbeidsongeschiktheid, en bij volledige arbeidsongeschiktheid waarbij herstel nog mogelijk is.
- • Eerst een loongerelateerde uitkering van 70% van het dagloon
- • Duur afhankelijk van je arbeidsverleden, maximaal 24 maanden
- • Daarna loonaanvullings- of vervolguitkering
- • Actieve re-integratieverplichting
- • Benut je je restcapaciteit niet, dan valt de uitkering fors terug
IVA
Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten. Van toepassing bij minimaal 80% arbeidsongeschiktheid zonder of met een geringe kans op herstel.
- • Uitkering van 75% van het (gemaximeerde) dagloon
- • Loopt in beginsel door tot de AOW-leeftijd
- • Geen re-integratieverplichting
- • Zwaarste categorie, strengste toets
- • Periodieke herbeoordeling blijft mogelijk
Bij een private AOV bestaat dit onderscheid niet. Daar wordt gewerkt met arbeidsongeschiktheidsklassen — bijvoorbeeld 25-35%, 35-45%, oplopend tot 80-100% — waarbij elke klasse een vast uitkeringspercentage kent. Ben je 60% arbeidsongeschikt verklaard, dan ontvang je het percentage dat bij die klasse hoort, zonder het onderscheid tussen een loongerelateerde en een vervolgfase. Hoe die klassen precies uitpakken lees je op onze pagina over de AOV-uitkering.
AOV en WIA naast elkaar
| Onderwerp | WIA (werknemers) | Private AOV (zelfstandigen) |
|---|---|---|
| Voor wie | Werknemers in loondienst | ZZP'ers, DGA's, freelancers en ondernemers |
| Verplicht? | Ja, automatisch via werkgeverspremies | Nee, vrijwillig (tot invoering van de BAZ) |
| Wachttijd | Vast: 104 weken (2 jaar) | Zelf te kiezen: circa 14 dagen tot 2 jaar |
| Inkomen in het eerste jaar | Loondoorbetaling door de werkgever | Niets — tenzij je wachttijd korter is |
| Ondergrens uitkering | Vanaf 35% arbeidsongeschiktheid | Meestal vanaf 25% arbeidsongeschiktheid |
| Uitkeringshoogte | 70% (WGA) of 75% (IVA) van het gemaximeerde dagloon | Tot 80% van je inkomen, zelf te kiezen |
| Maximum verzekerd inkomen | Gemaximeerd dagloon — daarboven geen dekking | Afhankelijk van verzekeraar, veel ruimer |
| Beoordelingscriterium | Gangbare arbeid | Beroeps-, passende of gangbare arbeid (keuze) |
| Duur van de uitkering | Loongerelateerd max. 24 maanden, daarna vervolgfase | Tot de gekozen eindleeftijd (vaak 60-67 jaar) |
| Medische acceptatie vooraf | Niet van toepassing | Ja: gezondheidsverklaring en soms keuring |
| Kosten | Werkgeverspremie, niet zichtbaar voor de werknemer | Zelf te betalen, aftrekbaar in box 1 |
| Indexatie | Wettelijk geregeld | Optioneel — alleen als je die dekking meeverzekert |
Waarom het eerste ziektejaar het grootste verschil maakt
Vraag een willekeurige ondernemer naar het verschil tussen de WIA en een AOV en het antwoord gaat vrijwel altijd over de uitkeringshoogte. Maar het scherpste verschil zit in de eerste twee jaar. Een werknemer die ziek wordt, merkt daar financieel voorlopig weinig van: de werkgever betaalt het loon door, in veel gevallen het eerste jaar zelfs volledig. Pas na 104 weken komt de WIA-beoordeling in zicht.
Een zelfstandige heeft die buffer niet. Val je op maandag uit, dan stopt de omzet praktisch direct terwijl je vaste lasten gewoon doorlopen: huur, verzekeringen, leasing, abonnementen, en thuis natuurlijk de hypotheek of huur. De wachttijd die je op je AOV hebt gekozen bepaalt hoe lang je die periode zelf moet overbruggen. Kies je 30 dagen, dan betaal je een fors hogere premie maar heb je binnen een maand inkomen. Kies je een jaar, dan is je premie aanzienlijk lager, maar moet je twaalf maanden overbruggen uit eigen reserves.
Dat maakt de wachttijd de belangrijkste knop waar je aan draait, en tegelijk de knop waarbij het vaakst wordt misgetast. De verleiding om de premie te drukken met een lange wachttijd is groot, zeker in de opstartfase. Maar een wachttijd is alleen verantwoord als je hem daadwerkelijk kunt overbruggen. De vuistregel: tel je vaste privélasten en je vaste zakelijke lasten bij elkaar op, vermenigvuldig dat met het aantal maanden wachttijd, en leg dat bedrag naast je huidige spaargeld. Klopt die som niet, dan is je wachttijd te lang gekozen.
Op onze pagina over de wachttijd en het eigen risico vind je een uitgebreide vergelijking van wat elke wachttijd met je premie doet.
Gangbare arbeid versus beroepsarbeidsongeschiktheid
Dit is het verschil dat het vaakst wordt onderschat, en dat bij een claim het meest bepalend blijkt. Het UWV hanteert bij de WIA-beoordeling het criterium gangbare arbeid. De vraag is niet of je je oude werk nog kunt doen, maar of je met je beperkingen nog énig werk zou kunnen verrichten dat op de arbeidsmarkt voorkomt. Een fysiotherapeut met een versleten pols kan volgens dat criterium prima administratief werk doen — en scoort dan een laag arbeidsongeschiktheidspercentage, mogelijk zelfs onder de 35%.
Bij een AOV kun je kiezen voor het criterium beroepsarbeidsongeschiktheid. Dan wordt uitsluitend beoordeeld of je je eigen beroep nog kunt uitoefenen. Diezelfde fysiotherapeut is dan wél in hoge mate arbeidsongeschikt, want zonder functionerende pols kan hij zijn praktijk niet voortzetten. Het verschil in uitkomst tussen beide criteria kan bij precies dezelfde medische situatie tientallen procentpunten bedragen.
Daar staat een prijskaartje tegenover: beroepsarbeidsongeschiktheid is het duurste criterium, omdat het risico voor de verzekeraar het grootst is. Passende arbeid zit ertussenin — er wordt gekeken naar werk dat aansluit bij je opleiding en ervaring — en gangbare arbeid is het goedkoopst en het strengst. Voor beroepen waarin je specifieke vaardigheden of je lichaam je verdienmodel zijn, is besparen op dit criterium zelden verstandig.
Beroepsarbeidsongeschiktheid
Alleen je eigen beroep telt. Beste bescherming, hoogste premie.
Passende arbeid
Werk dat past bij je opleiding en ervaring. Middenweg in premie en dekking.
Gangbare arbeid
Elk werk telt mee, ook buiten je vakgebied. Laagste premie, laagste zekerheid. Dit is ook het WIA-criterium.
Rekenvoorbeeld: 40% arbeidsongeschikt, twee scenario's
Neem twee mensen met exact hetzelfde inkomen van € 50.000 bruto per jaar en exact dezelfde medische situatie: een chronische rugaandoening waardoor ze nog ongeveer 60% van hun oorspronkelijke werk aankunnen. De één is werknemer, de ander zelfstandig met een AOV die uitkeert vanaf 25% arbeidsongeschiktheid, met een verzekerd bedrag van 80% en een wachttijd van drie maanden.
Scenario 1: werknemer met WIA
- Jaar 1-2: loondoorbetaling door de werkgever, in veel cao's eerst 100% en daarna 70%.
- Na 104 weken: UWV-beoordeling op gangbare arbeid. Bij 40% verlies aan verdiencapaciteit volgt een WGA-uitkering.
- Uitkering: loongerelateerd 70% van het dagloonverlies, maximaal 24 maanden afhankelijk van arbeidsverleden.
- Risico: zou de arbeidsdeskundige het verlies op 30% ramen, dan is er géén recht op een uitkering.
Scenario 2: ZZP'er met AOV
- Maand 1-3: wachttijd, geen uitkering. Deze periode overbrug je uit eigen reserves.
- Vanaf maand 4: uitkering op basis van de klasse 35-45%, meestal 40% van de verzekerde jaarrente.
- Rekensom: verzekerd bedrag € 40.000 (80% van € 50.000), uitkering circa € 16.000 per jaar oftewel ruim € 1.300 bruto per maand.
- Duur: zolang de arbeidsongeschiktheid voortduurt, tot de gekozen eindleeftijd.
De les uit dit voorbeeld: de werknemer heeft het in de eerste twee jaar duidelijk beter, de zelfstandige met een goede AOV vanaf jaar drie. Precies daarom is de wachttijd zo belangrijk — dat is het gat dat je zelf moet dichten. Bedragen in dit voorbeeld zijn indicatief en bedoeld om de verhouding te tonen; je eigen polisvoorwaarden zijn leidend. Reken je situatie door met onze uitkeringscalculator.
Van loondienst naar ondernemerschap: waar het misgaat
De risicovolste periode in het hele verhaal is de overgang. Wie vanuit een vast contract voor zichzelf begint, heeft honderd dingen tegelijk te regelen: inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een boekhouder, acquisitie, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. De AOV schuift daarbij vaak door naar "als het loopt".
Dat uitstel kost op twee manieren geld. Ten eerste ben je in de tussentijd volledig onverzekerd, en de kans op uitval is niet nul in de eerste maanden — juist niet, want starters werken vaak lange dagen. Ten tweede is je verzekerbaarheid het gunstigst zolang je gezond bent. Elke aandoening die zich in de tussentijd ontwikkelt, wordt bij een latere aanvraag een uitsluiting of een premieopslag. Een knieblessure van vorig jaar leidt tot een levenslange uitsluiting voor knieklachten; had je de polis eerder gesloten, dan was die klacht gewoon gedekt geweest.
Er is bovendien een harde deadline die veel starters missen: de vrijwillige verzekering bij het UWV moet je binnen dertien weken na het einde van je dienstverband aanvragen. Daarna vervalt die mogelijkheid definitief. Voor wie vanwege gezondheidsredenen moeilijk bij een private verzekeraar terechtkan, kan dat de enige toegankelijke route zijn.
Praktische volgorde bij de start: regel je AOV in dezelfde weken als je KvK-inschrijving, niet erna. Kies desnoods eerst een langere wachttijd om de premie betaalbaar te houden en verkort die later als je omzet stabiel is — dat is bijna altijd beter dan wachten met verzekeren. Meer hierover in onze gids over AOV voor starters.
Verandert de BAZ dit hele plaatje?
Gedeeltelijk. De Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ) is bedoeld om het gat tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen. Zelfstandigen worden dan verplicht verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, met een uitkering die is gekoppeld aan het minimumloon en een wachttijd van twee jaar.
Belangrijk om te zien: die twee jaar wachttijd maakt de BAZ qua timing vergelijkbaar met de WIA — maar zonder de loondoorbetaling die een werknemer in die twee jaar wél heeft. De BAZ dekt dus het lange staartrisico af, niet het risico dat je acuut zonder inkomen komt te zitten. Voor de meeste ondernemers blijft een private AOV daarom relevant, al is het maar voor de eerste twee jaar en voor het inkomen boven het minimumloon.
Er komt naar verwachting ook een opt-out-regeling voor wie al een private AOV heeft met ten minste gelijkwaardige dekking. Hoe die precies uitpakt en wat je nu al kunt doen, behandelen we uitgebreid in het artikel BAZ of private AOV en op de BAZ-themapagina.
Wat betekent dit voor jou?
Als je nog in loondienst zit en overweegt om voor jezelf te beginnen, is de belangrijkste conclusie dat je vangnet verdwijnt op het moment dat je contract eindigt — niet geleidelijk, maar in één keer. Regel je AOV daarom vóór of tijdens de overstap, en check binnen dertien weken of de vrijwillige UWV-verzekering voor jou zinvol is.
Werk je al langer als zelfstandige zonder AOV, dan is het goede nieuws dat je meer kunt regelen dan een werknemer: kortere wachttijd, hoger uitkeringspercentage, een gunstiger beoordelingscriterium en een uitkering die doorloopt tot je gekozen eindleeftijd. Het slechte nieuws is dat je die keuzes zelf moet maken, en dat de premie meebeweegt met elk jaar dat je wacht.
Heb je al een AOV, gebruik dit artikel dan als checklist: welk criterium staat er op je polis, wat is je wachttijd, wat is je ondergrens en tot welke leeftijd loopt de dekking? Vier vragen die je in tien minuten beantwoordt, en die bepalen of je polis nog past bij de onderneming die je vandaag drijft.
Veelgestelde vragen over AOV en WIA
Val ik als ZZP'er onder de WIA?
Wat is het grootste verschil tussen een AOV en de WIA?
Hoe hoog is een WIA-uitkering vergeleken met een AOV-uitkering?
Wat is het verschil tussen WGA en IVA?
Word ik bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid geholpen?
Kan ik als ZZP'er vrijwillig verzekerd blijven bij het UWV?
Is een AOV duurder dan de WIA-premie die een werkgever betaalt?
Telt mijn AOV-uitkering mee voor het opbouwen van AOW of pensioen?
Wat gebeurt er als ik zowel in loondienst als als ZZP'er werk?
Is de WIA-keuring strenger dan de beoordeling van een AOV-verzekeraar?
Lees ook
Welke eindleeftijd kies je voor je AOV?
Tot 60, 65 of 67 jaar verzekeren scheelt honderden euro’s per jaar — maar laat ook precies de jaren onafgedekt waarin uitval het waarschijnlijkst is.
Lees het artikel BasisBeroeps-, passende of gangbare arbeid: het criterium dat alles bepaalt
Eén zin in je polis bepaalt of je bij uitval een uitkering krijgt of te horen krijgt dat je “ander werk” kunt doen. Zo lees je het arbeidsongeschiktheidscriterium.
Lees het artikel BasisGedeeltelijk arbeidsongeschikt: zo wordt je uitkering berekend
De meeste claims zijn geen 100%-uitval maar 35, 55 of 70 procent. Hoe arbeidsdeskundigen dat percentage vaststellen en wat de uitkeringsklassen betekenen.
Lees het artikelZelf je vangnet inrichten?
Vergelijk wachttijden, uitkeringscriteria en premies van 6+ verzekeraars — onafhankelijk en zonder verplichtingen.